Reliant Sabre (1961-1964):

Naast de driewielige voertuigen boorde Reliant met deze roadster een nieuwe markt aan. Het ontwikkelde de Sabre in samenwerking met de Israëlische fabrikant Autocars, met als uitgangspunt het koetswerk van de vrij onbekende Ashley 1172, waarvan men de rechten had verworven. Een van Ford afkomstige 1.7-viercilindermotor dreef het lichte sportwagentje aan, dat zich verder kenmerkte door moderne technische oplossingen: schijfremmen, tandheugelbesturing en een volledig gesynchroniseerde vierversnellingsbak. Medio 1962 kreeg de roadster gezelschap van een coupé en datzelfde jaar volgde ook de Sabre Six, uitgerust met een 2.6-zescilindermotor, opnieuw van Ford. Een uiterst zeldzame verschijning, dankzij 77 gebouwde eenheden, waarvan slechts twee met open dak. De vierpitters deden het met totaal 208 stuks iets beter.

Reliant Scimitar GT SE4 (1964-1970):

Na het Sabre-tijdperk schakelde Reliant ineens over op een volumineuze 2+2-zits gran turismo, die de naam Scimitar (kromzwaard) toebedeeld kreeg. Hij leunde op het chassis van de Sabre Six en gebruikte ook diens krachtbron, de 2.6 van Ford. De auto volgde de technische stappen van de motorenleverancier en dat zorgde in 1996 voor de introductie van de SE4b, aangedreven door het nieuwe 3.0-blok van het type ‘Essex’. Een 2.5-versie daarvan deed dienst in de gunstiger geprijsde SE4c. Mede vanwege de beperkte concurrentie wist Reliant in zes jaar tijd een redelijk aantal Scimitars weg te zetten, ruim duizend.

Reliant Scimitar GTE SE5 (1968-1975):

Een heel enkele keer experimenteerde een Engelse carrosseriebouwer met een shooting brake en geïnspireerd door de Ogle Design GTS, een demonstratieauto van de glasfabriek Triplex, besloot Reliant dit gat in de markt te vullen. Het resultaat? De fraaie GTE, een volwaardige vierzitter met een derde deur en neerklapbare achterbankleuningen. Aandrijftechnisch was de auto identiek aan de GT, met de beschikbaarheid van 2.5- en 3.0-motoren, waarvan de eerste bij gebrek aan belangstelling na een poosje verdween. In 1970, toen voor de 2+2-zits coupé het doek viel, lanceerde Reliant een Scimitar GTE met een automatische transmissie. Na een kleine 2500 geproduceerde exemplaren verscheen per 1972 de op diverse punten verbeterde SE5a, die vooral aan zijn modernere kunststof dashboard te herkennen is. Dit type scoorde veel beter en wist circa 6630 kopers voor zich te winnen.

Reliant Scimitar GTE SE6 (1975-1986):

De handmatige productie bij Reliant zorgde voor een stevige prijsstelling en die kon de firma beter verantwoorden door het met de Scimitar hogerop te zoeken. Dat mondde uit in de langere, bredere en hoekiger gestileerde SE6, die echter een aantal imperfecties bezat. Hij evolueerde al gauw tot SE6a, met een verbeterde kwaliteit, wegligging en reminstallatie. Stuurbekrachtiging stond nu op de optielijst. Toen Ford in 1979 het Essex-blok afserveerde bood het Reliant een Duits alternatief aan, de 2.8-motor met de interne aanduiding ‘Cologne’. Hiermee was de SE6b geboren, die ten opzichte van zijn voorganger over iets meer vermogen, maar minder koppel beschikte. De populariteit van de Scimitar bleek in de tachtiger jaren tanende, want na ongeveer 550 SE6’en plus 3908 SE6a’s rolden er nog slechts 407 SE6b’s uit de fabriek.

Reliant Scimitar GTC SE8b (1980-1986):

Nadat de Triumph Stag al een poos niet meer werd gevoerd besloot Reliant eenzelfde concept uit te werken. Dat werd de Scimitar GTC, met de codenaam SE8b, technisch nauw verwant aan de SE6b. Zuiver bezien betreft het een targa en geen echte cabriolet. Er bestaan hardtops voor dit 442 keer gebouwde type, die vanwege hun afmetingen en gewicht door twee man gemonteerd dienen te worden.

Reliant SS1 (1984-1990):

In een poging een gat in de markt voor kleine sportauto’s te vullen werd in 1984 de SS1 gelanceerd. Dit model was ontworpen door Michelotti, met een chassis afgeleid van de Lotus Elan. De eerste versies werden geleverd met 1300 cc en 1600 cc Ford motoren, later werden deze vervangen door een 1400 cc Ford CVH en een Nissan 1800 cc met turbocompressor.

De SS1 had ‘open’ klapkoplampen, zoals bijvoorbeeld de Porsche 928, en gebruikte veel componenten van de grotere autoproducenten uit die tijd. De versies van na 1985 zijn bijzonder in trek, vanwege hun gegalvaniseerde chassis.

Middlebridge (1988-1990):

In de grote, verouderde Scimitar met zijn hoge aanschafprijs en beperkte publieksinteresse zag Reliant geen brood meer, maar het bedrijf Middlebridge beraadde zich op een verbeterde versie en nam de productierechten over. Met veel modificaties, waaronder een 2.9-injectiemotor uit de Ford Scorpio en een vijfversnellingsbak, hoopte men de belangstelling voor de Scimitar aan te wakkeren. Dat bleek te rooskleurig ingeschat en na 77 exemplaren trok Middlebridge de stekker uit het project. De Engelse Reliant-specialist Graham Walker bouwde nog een enkele Scimitar op bestelling, maar daarna was het echt gedaan met de mooie combi-coupé.